Wis?awa Szymborska 1923-2012

Ze had nog niet de Nobelprijs gewonnen toen ik haar ontmoette, maar ze was één en al dichteres, zo klein en frêle als ze was. En geestig, in alle betekenissen van het woord. Er hing over haar op het eerste gezicht de ondeugendheid en onconventionaliteit die me nadien altijd is blijven frapperen in haar gedichten, in elk nieuw gedicht, alsof ze eeuwig jong bleef.

Hier een vertaling van een gedicht van haar uit mijn bloemlezing 'De vreugde van het schrijven':

Over de dood zonder overdrijving

Hij weet niets van grappen,
Van sterren, van bruggen,
Van weefkunst, van mijnbouw, van landbouw,
Van scheepsbouw of het bakken van cake.

In onze gesprekken over plannen voor morgen
Plaatst hij altijd zijn laatste woord
Naast de kwestie.

Hij is zelfs niet bedreven
In wat nauw verbonden is met zijn vak:
Graven delven,
Kisten in elkaar zetten,
Zijn eigen rommel opruimen, nee.

Belast met moord
Doet hij dat onbehendig,
Zonder systeem of ervaring.
Alsof hij op elk van ons nog maar oefent.

Triomf der triomfen,
Maar hoeveel nederlagen,
Hoeveel misslagen
En hernieuwde pogingen!

Soms ontbreekt hem de kracht
Om een mug uit de lucht te slaan.
Tegenover meer dan één rups
Legt hij het af in een kruipkoers.

Al die knollen, peulen,
Voelsprieten, vinnen, slurfjes,
Pronkveren en wintervachten
Getuigen van de achterstand
In zijn slabakkend werk.

Kwade wil is niet genoeg
En zelfs onze hulp in oorlogen en omwentelingen
Is, vooralsnog, te weinig.

Harten kloppen in eitjes.
De skeletten van zuigelingen groeien.
Kiemen ontplooien hun eerste twee blaadjes
En vaak ook hoge bomen aan de horizon.

Wie van hem beweert dat hij almachtig is,
Is zelf een levend bewijs
Van het tegendeel.

Er is geen enkel leven
Dat niet tenminste een ogenblik
Onsterfelijk is geweest.

De dood
Komt steeds dan ter elfder ure.

Vergeefs wordt gerukt aan klinken
Van onzichtbare deuren.
Wat iemand al bereikt heeft,
Valt nooit meer terug te nemen.